'Logos @ 50'

Op vraag van de huidige logos medewerkers, schreef Godfried-Willem Raes in 2018 een boek waarin hij de dat jaar vijftigjarige geschiedenis van Logos uit de doeken doet. In 2018, vierde Logos immers zijn vijftigste verjaardag, een gebeuren dat met de nodige luister en aktiviteiten gepaard ging. Het boek kwam er en werd uitgegeven door Stichting Kunstboek in Oostkamp. Het is verkrijgbaar in de betere boekhandel, maar uiteraard ook bij Stichting Logos zelf. Gewoon een email naar god@logosfoundation.org met vermelding van het besteladres en we sturen het boek meteen op met een faktuur. (30 Euro, inklusief verzendkosten, voor Nederland: 35 Euro).

Het is een bibliofiele hardcover kunstuitgave en telt 226 bladzijden. De lay-out werd verzorgd door Peter Van Lancker en de meer dan honderd foto's in het boek zijn ontleend aan het rijke archief van Stichting Logos. Het boek is voorzien van een voorwoord geschreven door Prof.em.dr Herman Sabbe.

Achterflap:

Logos@50 biedt een authentieke kijk op de geschiedenis van experimentele avant-gardemuziek in Vlaanderen vanuit zijn belangrijkste productiecentrum Stichting Logos en bij monde van oprichter en bezieler Godfried-Willem Raes. In een bijzondere combinatie van autobiografie en geschiedschrijving levert de auteur een unieke bron van informatie over vijftig jaar progressief muziekleven, vanuit Gent reikend tot de verste uithoeken van onze planeet. Godfried-Willem Raes gaat daarbij de controverse niet uit de weg, maar onderbouwt zijn dwarse tegendraadsheid met sterke argumenten. De lezer hoeft zijn mening niet te delen maar de scherpte waarmee hier een visie wordt uitgelicht, dwingt respect af. Zijn vlotte schrijfstijl maakt het boek tot uiterst aangename lectuur voor al wie met muziek begaan is.

De auteur:

Godfried-Willem Raes (1952) geniet wereldwijde bekendheid als muziekmaker in de breedste zin van het woord. Tot 2014 was hij hoofddocent compositie en akoestiek aan het Gentse conservatorium, momenteel is hij postdoctoraal onderzoeker aan UGent. Zijn onderzoek behelst de uitbreiding van de expressieve mogelijkheden van muzikale speeltuigen en hun menselijke interfaces. Hij is bouwer en ontwerper van wat als het grootste robot-orkest ter wereld geldt en uitvinder van een volkomen draadloos systeem voor de herkenning van menselijke expressieve gestiek, zijn onzichtbaar instrument. Dit was ook het onderwerp van zijn doctoraatsthesis. Op dit ogenblik werkt hij verder aan de bouw en ontwikkeling van automatische instrumenten, met speelmogelijkheden die het menselijke ver overschrijden. Hij werd bekroond met de Louis Paul Boon-prijs (1982) en met de Tech-Art-prijs (1990).

Hier enkele uittreksels ter inzage:

Het boek is verkrijgbaar door storting van 30 Euro op rekening van Stichting Logos, BE98 0000 4890 7093, verzendkosten inbegrepen. Voor 24,95 Euro kan het vanaf nu worden gekocht en opgehaald bij Stichting Logos zelf. De opbrengst van de verkoop gaat integraal naar het behoud van Stichting Logos.

Uiteraard is het boek eveneens verkrijgbaar bij de uitgever (www.stichtingkunstboek.be) en in de betere boekhandel. In Gent alvast bij de Standaard Boekhandel, Limerick, Paard van Troje, Boekbar en Walry. Ook via Bol.com is het te bestellen.

In Nederland is het boek nu verkrijgbaar bij bruna.nl, bookspot.be, managementboek.nl, boekhandeldouwes.nl en in het Museum Speelklok in Utrecht.

Het ISBN nummer is 978-5856-605-8.


Recensies en feedback:

Logos, Vlaanderens avantgarde-advokaat written by Herlinde van Tongeren

July 22, 2018

Godfried-Willem Raes (1952) heeft een mooie achtergrond als onderzoeker. Hij is gewezen hoofddocent compositie en akoestiek aan de UGent. Daarnaast is hij begeesterd stichter van het productiecentrum “Stichting Logos”. Reeds vijftig jaar werkt hij aan een muzikaal robotsysteem dat verbonden is aan de menselijke gestiek. Techniek wordt ingezet om menselijke bewegingen te herkennen en via een draadloos systeem en een voltallig orkest muziek te maken. Het doel is speelmogelijkheden te creëren die het menselijke overschrijden. Eerder deze week speelde het voltallige Logos Robotorkest meermaals het programma “Relache” – gebaseerd op muziek van Erik Satie – op de Gentse Feesten.

Het boek “Logos@50” werd geschreven vanuit Raes zelf. Verhalend schetst hij de geschiedenis van het ontstaan van zijn centrum. Hij mijdt daarbij geen discussie en pakt ook alle vooroordelen aan waartegen hij mocht vechten. Een belangrijk punt is dat hij via een terechte argumentatie zijn standpunten duidelijk maakt. Zo is bij een belangrijke voorvechter van de avant-gardemuziek in Vlaanderen. Hij benadrukt dat zijn standpunt in deze materie er geen is van negativiteit en tegenstand, maar eentje van vooruitgang. Hij erkent dus de waarde van de oudere muziek, maar opteert zelf voor een andere beweging – zijn beweging. Het verhaal is vooral zeer bewogen en mooi geïllustreerd met kleurenfoto’s waarop u vast een aantal vaste waarden binnen ons Vlaamse muzieklandschap zult terugvinden – misschien wel dé extra reden om dit boek aan te schaffen.

U kunt het hardcover boek van maar liefst 224 hoogstinteressante pagina’s (ISBN 987-90-5856-605-8) voor 30 euro bestellen door een mail te sturen naar info@stichtingkunstboek.com. Meer info over centrum Logos via http://www.stichtingkunstboek.com

De relevantie van autobiografische muziekgeschiedschrjving (Paul Timmermans, 08.2018)

Link naar de PDF van deze recensie

Gonzo, oktober 2018:

Op 6 november 2018 werd dit boek voorgesteld in De Krook in Gent. Bij die gelegenheid ging prof.dr.Marc Leman in gesprek met de auteur.

Eddy Bonte in De Geus, 12.2018:

In december 2018 verscheen ook in De Geus, tijdschrift van het Humanistisch Verbond Vlaanderen, een artikel over het boek, een artikel van Eddy Bonte. Hier is een link.

Philippe Grisar, 02.2019:

Op Klassiek Centraal verscheen op 14.02.2019 volgend artikel van Philippe Grisar: 'Verleider, vernieuwer en muzikaal geniet' Hier is de link:

https://klassiek-centraal.be/nieuws/interviews/verleider-vernieuwer-en-muzikaal-genie/?fbclid=IwAR1PNWTKISiSHLprAk9K5RvCZhb9mRB8he91j7Zz8gXZUpKhkaqp9IrHq1o

Dit interview en bespreking is ook als pdf downloadbaar: 'Verleider, vernieuwer en muzikaal genie' Het werd gepubliceerd in het programmaboek van 'Passage VI', Sint-Niklaas, 17.02.2019.

 


Johan Vandenbossche (muzikoloog, ex Klara medewerker, 05.2020):

Beste Godfried,

Eerst dacht ik je zomaar een mailtje te sturen, misschien in de zakelijke neutraliteit waarmee de doorsnee mails gekenmerkt zijn. Allengs wordt dit, bij nadere beschouwing, een brief.

Met veel interesse en groot genoegen heb ik “Logos@50”, en daarna ook “50 years of Logos, 50 years of experiment” gelezen. Het heeft al iets te betekenen om door een historiek geboeid te kunnen worden, maar ik moet meteen bekennen dat deze lectuur me ook werkelijk ontroerd heeft, een meerwaarde die in deze tijden zeldzamer aan het worden is.

Wellicht heeft dat te maken met het ouder worden – van alle goden lijkt Chronos me de meest meedogenloze – maar we naderen alsmaar sneller het omslagmoment waarop we moeten vaststellen dat onze toekomst achter ons ligt. Althans, bij mij is dat zo. Tijdens een fietstocht rechten we al eens de rug, houden even de pedalen in, en nemen de tijd om achteruit te kijken. Ook ín de tijd. Jouw terugblik, Godfried, aan het slotpartikel op p. 219, getuigt eigenlijk ook van zo’n moment, en is door de eerlijke onthulling over introspectie en zelfkennis op een gestelde leeftijd des te ontroerender. Er ligt een wereld van verschil tussen de dagen dat we voor enkele laatste lessen notenleer in het toen muffige conservatorium een klasbank deelden, en het heden. Jij hield het dan al snel voor bekeken en begon aan een fabelachtige odyssee. Ik waardeer het Logos-epos dat je vanuit je persoonlijke herinneringen chronologisch scherp in beeld hebt gebracht, niet enkel omwille van zijn veelomvattendheid (in de tijd, sociale gerichtheid, en uitgestrektheid in de klankenwereld), maar ook, en vooral, om de ontwapenende eerlijkheid van het narratief.

Projecten met een vuurtorenfunctie zoals de Pneumafoon-evenementen, over Holosound met zijn voortzetting in draadloze gesture recognition, tot het Robotorkest, zouden in toekomstige muziekgeschiedschrijvingen incontournable moeten worden, zoals eigenlijk de hele Logos-onderneming.

De rode draad in het verhaal, de kern waar men echt niet omheen kan, en die nochtans niet zo nadrukkelijk benoemd wordt, genereert bewondering. Bewondering voor de fusie van homo faber, homo ingeniosus en homo ludens in één demiurg . Eigenschappen die maar zelden binnen dezelfde mens tot verbinding komen, en die, toegespitst op een klankenwereld met een veel extensievere vleugelwijdte dan deze die we gemeenzaam “muziek” noemen, ook ingezet worden voor een sociale ‘Publikumsbeteiligung’. Hoe zeldzaam is het om op de wereld gezet te worden met een onmiskenbaar talent voor zowel het filologisch-filosofische, het positief wetenschappelijke, en het muzische. Maar dat de natuur je vanuit haar hoorn des overvloeds ook begiftigde met een lading onvermoeibare energie, dat is pas een voltreffer. Ik vermeld dit omdat, als contrast, al van in mijn kindertijd geweten was dat energie mij door het lot schaars toebedeeld werd. Het vervolg was dat ik er gedurende mijn studietijd en aansluitend professioneel traject bewust gedoseerd en zuinig heb moeten mee omspringen. Het is me gelukt, uiteindelijk heb ik de dingen die ik me voorgenomen had te willen realiseren, grosso modo ook gerealiseerd gekregen. Maar dit terzijde.

Doorheen de indrukwekkende evolutie van het wel en wee binnen Logos worden feiten en toestanden aangehaald waarvan sommige die in mijn geheugen sluimerden ook weer tot leven gewekt worden. Zij zijn voor een groot deel de instigators tot deze brief. Alhoewel we in onze professionele bezigheden gedurende de voorbije 40 jaar een verschillend parcours aflegden, met andere dwingende prioriteiten van tijdsbesteding, ben ik jullie evenementen van op afstand blijven volgen. Moniek’s relaas van de wereldomspannende concertreizen van het Logos Duo kreeg ik destijds telkens in mijn bus, en las ze met belangstelling. Het was dan ook een goed idee om daaruit een excerpt op te nemen in de fraaie jubileumpublicatie, op zichzelf al een hebbeding. Sporadisch, - achteraf bekeken: veel te sporadisch – hebben mijn vrouw Karine en ik in de Kongostraat een evenement bijgewoond. Ook voor de kinderen was het pneumafoonproject her en der te lande een onvergetelijke ervaring. Pakweg 15 jaar geleden ontmoette ik Moniek ook ergens langs de Scheldeoever in de buurt van Oudenaarde. Ze had zich er met een selectie van originele klankspeeltuigen geposteerd n.a.v. een muziekfestivalletje waarbij belangstellenden van de ene locatie naar de andere fietsten. Een voor mezelf beklijvend receptief concert (ik weet niet meer of dat in de Tetraëder of nog in de Kongostraat plaatsvond, noch met welk ensemble), was er een met een ludieke en theatraal humoristisch uitgewerkte metafoor rond de kortstondigheid van klank (en het leven?): het vanitasthema van snelle vergankelijkheid dat in 17de-eeuwse stillevens afgebeeld wordt, niet toevallig vaak met muziekinstrumenten. In een bepaald stuk bespeelden de muzikanten chocoladen replica’s van blokfluiten. Aanvankelijk niets aan de hand, een aanzet met reminiscenties van renaissance-harmonieën. Iets later al de eerste zichtbare sporen van het smeltingsproces, gepaard met toenemende desintegratie van de klanken, down drifting melodies tegen wil en dank, tot en met het wegsterven in een geflutter en hilariteit verwekkende choco mousse. In je historiek vermeld je een myriade van belangrijke personen, klankarchitecten, mede-uitvoerders, bewindslieden en mensen uit de concertorganisaties of publieke media, allerhande mensen die uw pad kruisten. Sommigen daarvan heb ook ik van nabij gekend. Wat me opviel is dat onze perceptie van en waardering voor deze mensen grotendeels parallel loopt, ook al hebben we vanuit andere posities met hen kennis gemaakt.

Karel Goeyvaerts was uiteraard al tijdens onze musicologiejaartjes als docent een grote gemene deler. Bij BRT 3 heb ik hem als collega nog veel dieper leren waarderen. Onze tafelgesprekken in de mess herinner ik me met groot genoegen. Niet enkel over muziek, maar ook over de dingen van het leven. Zijn parate kennis van orkestraties was indrukwekkend; zijn verhalen over de analysecursus bij Messiaen, de Darmstadt-peripetieën, zijn langdurige depressie en het daaruit voortvloeiend writer’ s block, de vooruitzichten en vorderingen in Aquarius, zijn verslingerdheid aan het moto-rijden. Zijn bereidheid tot raadgeving en hulp. In de late jaren 50 was Lucien Goethals onze notenleraar in St.-Eloois-Vijve, een dochterafdelingetje van de muziekacademie Harelbeke. Tot ons vermaak vertelde hij over Argentinië, en begeleidde solfègelesjes met aanstekelijke tango-ritmen. Dat was fun. In Luc Brewaeys heb ik een flamboyante kameraad en collega verloren. Al van in zijn vroegste VRT-jaren als musicus-modulator heb ik in producties en captaties vaak met hem kunnen samenwerken. Hij had een verbluffend, immer alert open gehoor voor allerlei geluiden die hij als inclusief voor zijn composities incalculeerde. Brewaeys was een hyperkinetische wervelwind, de energie en nervositeit spatten er af. Hij was bezeten van boventonencombinaties, zijn spectralisme voerde ook letterlijk de boventoon in zijn latere werk. Altijd achter de veelheid van opdrachten aanhollend, tegen de deadlines componerend, vond hij toch vaak de tijd om onverwachts mijn bureau binnen te stormen met het dringend verzoek om in de gauwte samen een koffie te gaan drinken. Opmerkelijk was daarnaast was zijn fascinatie voor sommige werken/componisten uit de 16e en vroege 17e eeuw. Ook hij was geboeid door de betere dingen uit de oude muziek. Op een dag kwam hij me melden dat hij van plan was een opera over Gesualdo te maken, voor hem, alle contemporaine verhoudingen in acht genomen, dè avantgardecomponist, het nec plus ultra van die tijd. Hij zocht naar een librettist maar het is er niet van gekomen. Uitgerekend op de morgen van de creatie van zijn eigen opera “L’uomo dal fiore in bocca” waarin ‘fiore’ een eufemistische metafoor is voor kanker, vernam Luc dat hij zelf mondkanker had. Een verdict dat hem zijn zin voor humor niet deed verliezen. Zoals in de wachtzaal van de oncologie, omringd door angstige lotgenoten: “Kom mensen, we gaan hier toch niet zitten kankeren?” Luc had veel respect voor wat jullie deden. Voor Herman Vuylsteke, met wie ik het bureau deelde van 1975 tot 1981 (jazz en etnische muziek werden toen nog als voldoende interessante niches beschouwd om er een volwaardig werkingsbudget aan te kunnen besteden) heb ik ettelijke uitzendingen samengesteld toen ik nog los medewerker was. Herman was inderdaad, zoals je het ook apprecieerde, met acribie en vasthoudendheid op zoek naar authentieke, nog niet verstedelijkte en dus niet vercommercialiseerde traditionele etnische en volksmuziek. Hij fulmineerde heftig tegen allerlei veld winnende misvattingen daarover, en demonstreerde dat ook in zijn uitzendingen. Herman was een goede vriend met een ontzagwekkende kennis van zijn niche, maar ook ver daarbuiten. Een studax tot het einde van zijn dagen. In de lange hete zomer van 1976 togen Karine en ik op zijn advies, en met enkele contactadressen van locale informanten op zak, met ons 2Pk-tje naar Oost-Servië, meer bepaald naar de Negotinska Krajina, de grensstreek op het drielandenpunt Joegoslavië- Roemenië- Bulgarije. We maakter er kennis met de Valachen, “Vlassi” zoals zij zijzelf benoemen, een minderheidscultuur met ongerepte ancestrale gebruiken, intrigerende muziek en reidansen in asymmetrische metra (Aksak-ritmen). We hebben er herders (fluier- en frulaspelers), boeren-vedelaars, een dorpsbanda (orkestje) en een fenomenale gajda-speler (doedelzak enkelriet-type) kunnen opnemen.

Boudewijn Buckinx en Simonne Claeys werden dus ook mijn collega’s, nadat ze Gent voor Leuven ingeruild hadden. En ook hierin kan ik je bijtreden. Boudewijn’s omslag naar het haast alles en iedereen inpalmende postmodernisme, dat ik zie als niet los te koppelen van de opmars van het economisch-neoliberalisme, heeft me bevreemd. De koerswijziging in zijn uitzendingen naar pomo-versmalling toe, in vergelijking met de bredere, mondiale en objectievere scope en verslaggeving van zijn voorganger Karel Goeyvaerts, werd, denk ik, daardoor bepaald. Tot zover enkele herinneringen aan mensen en dingen waarin het affect overheerst. Nu even wat ratio. Ik beland bij Jan Broeckx, je kon het voorspellen. Jan Broeckx, die ik, welke richting elk van ons ook zou inslaan, als een grote, gulle mentor blijf beschouwen, brengt me tenslotte tot het enige waar ik bij de lectuur van jouw Logos-historiek een beetje op mijn honger bleef zitten. Tussen haakjes herinner ik me nog levendig het geanimeerde discussiecollege (1971?) waarnaar je sportief verwijst, en de gevatte repliek naar jou toe. - Those were the days. Naar het einde van zijn leven toe waren mijn vrouw en ik enkele keren te gast ten huize Broeckx. Hij was toen bezig met zijn opus ultimum “Onbegrijpelijk de nachtegaal, een essay over esthetiek en kunst”, (VUB press 2002.) Hij vertrouwde me toe dat het de neerslag zou worden van zowat 30 jaar denkwerk. Persoonlijk beschouw ik dat boek als een livre de chevet. Loepzuiver geformuleerde stellingnamen, gedurfde maximes (tegen de “de gustibus non disputandum”- dooddoener van de pomo-adepten in), met een briljante logica. Een ankermoment daarin is zijn uiteenzetting, als startbasis, van wat hij de “esthetische waardendriehoek” noemt . Het banale (snel gemaakte, voorspelbare, inwisselbare…), het excessieve (buitensporige, het schokkende als doel an sich…) en het voorbeeldige (datgene waarin elk object, elk artefact als voorbeeld kan staan van de soort die het representeert). Ik formuleer het hier kort door de bocht; Broeckx’ explicitering is veel omstandiger en genuanceerder. Wat ik me dus afvroeg in de Logos-context: zijn de klankenkunstenaars/medespelers van Logos ooit intern tot een consensus gekomen omtrent een na te streven esthetiek? Of volstonden het bedenken en realiseren van het totnogtoe ‘ongehoorde’, het ‘werkelijk nieuwe’ en het ludieke als dwingende voorwaarden? Of, anders gesteld: Komen jullie als collectief, of kom jij persoonlijk, Godfried, na een halve eeuw onaflatend zoeken en experimenteren tot een esthetische valuatie van bepaalde acts, klanksculpturen, composities… met in het achterhoofd uiteindelijk ook een - misschien onbewust - oordeel in de zin van ‘geslaagd’, ‘banaal’, ‘buitensporig’ ?

Alleszins, om deze al te wijdlopige brief te besluiten en terug te keren naar mijn initiële bewondering, nog dit: de Logos 3:5 – compositie uit 1968, waarvan de partituur de cover van het lustrumboek siert, percipieer ik als de quintessens, de stamcel, de kernachtige symbooltitel die de lading van alle latere verwezenlijkingen van Logos zou dekken. In een eerste reactie associeerde ik die ratio met de start van de Fibonacci-reeks, een ruwe aanzet tot de proportio aurea, maar de tempoverhoudingen waren dus gekoppeld aan priemgetallen. Mooi. Ook daarom boeiden bijvoorbeeld Nancarrow’s proportiecanons met irrationele tempoverhoudingen voor player piano me zo. Hopelijk komen de evenementen in de Bomastraat na deze onheilsperiode weer tot leven. Hartelijke groet, ook aan Moniek Vale,

Johan Vandenbossche


Dit boek kwam mede tot stand dankzij een erfgoed projectsubsidie van de Vlaamse Gemeenschap, Agentschap Cultuur.

naar hoofdpagina Stichting Logos naar index Godfried-Willem Raes